Taaldomeinen
Spellen
Spellen is een technische vaardigheid die leerlingen zich eigen moeten maken. Leerlingen moeten strategieën en regels leren toepassen om (relatief) nieuwe woorden juist te schrijven en zij moeten een aantal hoogfrequente woorden direct en automatisch kunnen spellen. Methoden bieden doorgaans richtlijnen voor de volgorde waarin spellingcategorieën en spellingregels aan de orde moeten komen. Hoewel leerlingen ook impliciet leren door verschillende schrijfactiviteiten, wordt kennis over spelling het meest effectief verworven na expliciete instructie met feedback. Het is dus van groot belang dat leerkrachten expliciete instructie geven. Dit kan tijdens de spellingles met spellingactiviteiten maar ook tijdens andere lessen bestaan tal van momenten, die kunnen worden benut om aandacht aan recent besproken regels en aan de spelling van woorden te besteden. Door regels bij verschillende lessen en (schrijf)opdrachten te herhalen, beklijven de spellingregels en raken deze geautomatiseerd. Het is daarnaast belangrijk dat leerlingen een houding ontwikkelen waarbij ze goed willen spellen en zich steeds afvragen of ze de woorden juist geschreven hebben: er moet gewerkt worden aan spellinggeweten en spellingbewustzijn. Voor dit doel zou spellinginstructie vooral in combinatie met schrijfonderwijs moeten plaatsvinden omdat zinvolle schrijftaken veel realistischer zijn dan geïsoleerde spellingoefeningen.Effectieve didactiek voor spelling draait om de volgende richtlijnen:
• leer spellingstrategieën expliciet aan
• aanleren van spellingregels: Voor de spelling van veel woorden is
het aanleren van de spellingregel efficiënter dan het aanleren van
strategieën zoals inprenten of het spellen naar analogie. Dit geldt onder
andere voor woorden met open en gesloten lettergrepen en de spelling van
werkwoorden. Voor het aanleren van regels kan het best worden uitgegaan van
de klankvorm van het woord.
• aandacht voor spellinggeweten en spellingbewustzijn
• extra aandacht voor spelling bij anderstalige leerlingen
• extra aandacht voor spelling bij anderstalige leerlingen
Bij de aanvang van het spellingonderwijs staat instructie in het
alfabetisch principe centraal. Leerlingen leren dat woorden uit klanken zijn
opgebouwd en dat de klanken met letters corresponderen. Door het koppelen
van tekens aan klanken kunnen ze klankzuivere woorden schrijven die ze nog
niet eerder hebben gezien. Dit wordt ook wel de elementaire spelhandeling
genoemd die leerlingen zich in de onderbouw eigen moeten maken. Zodra de
leerlingen alle letters kennen en eenvoudige klankzuivere woorden kunnen
schrijven, komen ook langere woorden aan de orde zoals woorden met
medeklinkerclusters (straat, kaars) en klankzuivere samengestelde woorden
als stoelpoot. Mede afhankelijk van de gebruikte spellingmethode leren
leerlingen al een aantal spellingregels toepassen en letteropeenvolgingen in
te prenten zoals ‘aai’ en ‘ieuw’.
In groep 4 en groep 5 komt de nadruk meer te liggen op het spellen van
niet-klankzuivere meerlettergrepige woorden. Naast het toepassen van de
elementaire spelhandeling moeten leerlingen regels kunnen onthouden en
toepassen en woordbeelden kunnen onthouden en oproepen. Leerlingen moeten de
spelling van steeds meer verschillende woorden inprenten (woorden met ij-ei,
ou-au) en ook moeten ze regels kunnen toepassen zoals de
gelijkvormigheidsregel (honden dus hond) en analogieregel (wordt zoals
zoekt). Eenvoudige interpunctie (hoofdletters, punt, vraagteken,
uitroepteken) moeten de leerlingen kunnen begrijpen en gebruiken. Leerlingen
leren hun eigen spelling- en interpunctiefouten te onderkennen en te
verbeteren.
Vanaf groep 6 geeft de leerkracht instructie in het spellen van steeds meer
complexe woorden zoals lange, gelede woorden (geleidelijk)
woordsamenstellingen (schoolplein, voetbalveld) en een aantal leenwoorden
(computer, bureau). Leerlingen leren nu ook de regels van de
werkwoordspelling toepassen en complexe interpunctie (komma, puntkomma,
dubbele punt, aanhalingstekens en haakjes) begrijpen en gebruiken.
Leerlingen moeten met toenemende zelfstandigheid hun spelling- en
interpunctiefouten kunnen onderkennen en corrigeren. Daarbij ontwikkelen ze
een houding om correct te willen schrijven, dat wil zeggen een
spellinggeweten.
Aan het einde van de basisschoolperiode beheersen leerlingen al een groot
aantal schrijfwijzen en spellingregels, maar gezien de complexiteit van
spelling loopt het leerproces ook daarna nog door.

